Jagger

Jagger

Het was afgelopen zomer dat ik me weer eens het uitgaansleven in stortte.
Een niet nader te noemen hoofdstad in de provincie Groningen was het strijdtoneel en ik had mijn alltime drinkmat aan den zijde. Het was een zwoele zaterdagavond, ik had een prettig bruine ponem, m’n haar lag strak in de wetlook en ik zat uitstekend in m’n velletje. Maar ook in de kleren. Ik had mezelf getooid in een fluks roze/wit geblokt overhemd over mijn blote en gebruinde tors, daaronder een denim spijkerbroek over de strakgebipste kont en afgemaakt met een stel sjapschoenen. Ik vond mezelf een plaatje. Bij het in de spiegel kijken ontwaarde ik zelfs een licht stijfje in de thong. Maar dat vond ik eigenlijk best een beetje narcistisch.

We merkten al gauw dat het uitgaansleven niet meer het uitgaansleven van 15 jaar geleden is en dat de uitgaansmogelijkheden voor de 2 voormalige koningen van het uitgaansleven niet meer de uitgaansmogelijkheden van toen zijn. (sjees, dat was een moeilijke zin!). Dan was het weer te druk, dan weer geen ruk te doen. Dan weer veel te harde schijtmuziek, dan weer iets zachtere schijtmuziek. Wij togen dan ook van kroeg naar kroeg, van café naar café (wij zijn geen discotheekmannen). Nergens kregen we het gevoel van 15 jaar geleden.

We liepen een straat in waar we, volgens mij, nog nooit in onze rijke uitgaanshistorie een café hadden bezocht en warempel, daar was zowaar een tent waar het gezellig druk was en waar goeie muziek uit de speakers kwam. En dat ook nog op een sympathiek volumeniveau. We gingen naar binnen. Geen boos turende pubers, geen lallende pubers, geen tegen je aan botsende pubers (flinkerts noemen wij die). Nee, lachende en vrolijke uitgaansmensen. De meeste in onze leeftijdcategorie. Bij de ingang en bij de bar stonden vanzelfsprekend de meeste uitgaanders, wij zochten een plek waar we iets bewegingsruimte hadden. Bij de dansvloer. We werden met alle egards die richting uit geholpen, mensen deden gewoon even een stap achteruit of opzij. Waar zie je dat nog, vroeg ik me af.
Terwijl drinkmat bier ging halen bij de bar nestelde ik me in een comfortabele positie bij de dansvloer. Op dat moment startte de DJ Maroon 5 met ‘Moves like Jagger’ in. Ik kende het nummer niet. Maar ik vond het lekker klinken. En als ik iets lekker hoor klinken, reageert mijn lijf erop. Ik begon op de maat te bewegen. Ik begon me funky te bewegen. Ik knikte stoer met m’n hoofd, ik liet de tors van links naar rechts rollen, ik liet m’n onderstel strak op de maat vibreren. Ik movede like Jagger. En ondertussen keek ik argeloos de zaak rond. Glimlachende mensen, priemende ogen, smachtende blikken werden op mij afgevuurd.

Halverwege het nummer kwam drinkmat met 2 glazen bier aanlopen.
“Drink op!”, zei ik. Drinkmat snapte ‘m niet. “DRINK OP!”, snauwde ik hem toe. Hij keek me met een vragende blik aan. “We moeten hier weg”, zei ik en ik hikte mijn glas leeg.
Buiten vroeg hij wat er nou aan de hand was.

“Dit is een gay bar”, zei ik.

Tja, dat is niet echt ons kopje thee.

Maar het blijft een lekker nummer. Wat jij?

 

Kopje koffie

Koffie

Weet je, ik raak er inmiddels aan gewend. Het is nu eenmaal zo en ik ga me er niet meer druk om maken. Kost me klauwen vol met energie en ik heb er simpelweg de puf niet meer voor. Ik ben tot het besef gekomen dat het niet aan mij ligt maar dat er bij de anderen een defect in de hersenen is. Tegenwoordig lach ik vriendelijk, knik ik instemmend en mocht ik in een goeie bui zijn, wil ik er ook nog wel eens een laf zwaaitje uit gooien. En dat die anderen dan uiteindelijk teleurgesteld en gedesillusioneerd achter blijven, nou ja, fuk ‘m.
Rob Geurts (als ik in een eettent zit), Anton Jansen (als ik op het voetbalveld sta), Wouter Bos (als ik een rode jas aan heb), ik heb ze allemaal al een keer gehad. Maar wat me vanochtend is overkomen, NAH!, dat geloof ik zelf bijna niet.

In een niet nader te noemen etablissement in mijn niet nader te noemen dorp sta ik vanochtend aan de bar te genieten van een kopje koffie. Aan de bar inderdaad, het was er druk. Alle tafels waren bezet en buiten op het terras was een vrijgezellenfeestje gaande. Een hele bult vrouwen. En je raadt het al, de toekomstige bruid zag er het aantrekkelijkst van allemaal uit. Heb ik weer……..

Op een gegeven moment komt een meid van het toilet en ze loopt, al snuffelend in haar tas, de zaak in. Ze botst tegen me aan en ik giet een deel van mijn koffie over de bar. Terwijl ik me zuchtend omdraai en ademhaal om haar een flinke pets te geven, rent ze keihard naar buiten. Naar het vrijgezellenfeestje.
Ik besluit er verder geen aandacht aan te schenken en herstel mijn zenhouding.
Ik bestelde nog zo’n heerlijk bakje koffie. Als ik het eerste slokje naar binnen werk, wordt plotseling de voordeur opengesmeten en komen de vrouwen van het vrijgezellenfeestje binnengestormd. Gillend en krijsend. Duwend en trekkend. Tafels vielen om. Glazen vielen om. Barkrukken vielen om. De gordijnen begaven het. Een wat oudere vrouw werd onder de voet gelopen. Haar echtgenoot probeerde haar omhoog te helpen maar werd door de uitzinnige menigte vrouwen pardoes voorover een plantenbak ingeduwd. Het was totale chaos. Gasten doken in totale paniek de keuken, de toiletten en de garderobe in. “Wat zullen we nou krijgen?”, dacht ik en ik zette me schrap om de stampedende vrouwen tegen te houden. Of in elk geval te ontwijken.

Zo abrupt als ze binnenkwamen, zo abrupt stopten ze ook ineens met gillen, krijsen, duwen en trekken. Één van de meiden werd door de bruid mijn richting opgeduwd. Ze begon me aandachtig aan te kijken. Ik fronste mijn wenkbrauwen. “Wat zullen we nou krijgen?”, dacht ik. Het werd doodstil in de zaak.

‘Nee, volgens mij niet nee’, zei het mij aanstarende meiske. Ze schudde haar hoofd heftig heen en weer. ‘Weet je het zeker?’, werd er vanachter uit de groep geroepen. ‘Nee, George heeft een vollere kin. Dit is hem niet’, antwoordde het meiske. Ze dropen af naar het terras en vervolgden hun vrijgezellenfeestje.

En het enige wat ik dacht was; “Nou, dat hebben we ook weer gehad. Wat kan ik vandaag nog meer verwachten? What else?” En ik bestelde nog maar eens zo’n heerlijke Nespresso.

BHV

BHV

Sjeesus, wat een flauw plaatje heb je er weer bij gemaakt, Manus. De borstel van dees anekdoot is “BHV” en jij verzint er een BH met vee erop bij. Sjonge jonge, hoe oud ben je? Ik hoor het je denken.

BHV, Bedrijfs Hulp Verlening. Brandje blussen, ontruimen, EHBO encetera. Heb jij het ook? Ja, tuurlijk heb jij het ook. Heel Nederland heeft BHV. Heel Nederland zit gedwongen 1 of 2 keer per jaar in zo’n duf lokaal te luisteren naar zo’n wèl enthousiaste ambulancebroeder of brandweerman. En dat is nu mijn punt. Zij zijn wèl enthousiast. Kijk, er zullen ongetwijfeld een heleboel mensen zijn die zich geroepen voelen om de medemens te hulp te schieten en eventueel (proberen) te repareren mocht dit nodig zijn. Maar het overgrote deel geeft geen fuk om het repareren van mensen. En met het overgrote deel bedoel ik moi natuurlijk. Ik repareer geen mensen. Fuk ‘m. Ja, mijn zoontjes maar voor de rest niemand hoor. Sterker nog, in mijn vak zit ik aan de andere kant van de medaille. Ik breng schade toe aan mensen. Zou wat zijn zeg, leg ik eerst iemand voor 89% om, moet ik ‘m daarna weer repareren. Tsssss, dat zou even conflicterend werken!

Deze stellige mening mijnerzijds levert trouwens wel mooie discussies en ernstig verbaasde gezichten op. De vraag was eens tijdens een BHV-les; “Je rijdt in je auto in een afgelegen gebied en je ziet iemand gewond op straat liggen. Wat doe je dan?” Sneuert bij mij de groep reageerde direct uitbundig door te zeggen dat hij de auto uitspringt en eerste hup verleent. Een staande ovatie van de rest van de groep viel hem nog net niet ten deel en ik ontwaarde zelfs een licht stijfje bij sneuert. ‘Ik zou op een afstandje gaan staan, in de auto blijven, 112 bellen en wachten tot de hulpdiensten er zijn. Fuk hem’, zei ik. Verbaasde gezichten all over the place. ‘Dat doe je toch niet? Je biedt toch gelijk hulp? Het kan een situatie van leven of dood zijn!’, gilde een zeikmuts. ‘Ja hallo, voor hetzelfde geld is het een ambush, zit er iemand in de bosjes en word je overvallen. Duhuu’, antwoordde ik uiterst kalmpjes. En dan die reacties joh, HI LA RISCH!

En bij de laatste BHV-les stoorde ik me aan het feit dat men er maar van uit gaat dat alle aanwezigen hulp bieden bij ongelukken. Toen ik kenbaar maakte dat ik dat dus niet doe ging er een golf van verontwaardiging door het duffe lokaal. ‘Dus, als ik hier neer zou vallen, zou jij mij niet helpen?’, vroeg een wat oudere suflul. ‘Neuh. Fuk jou’. En dan die gezichten joh, HI LA RISCH!

Nee, laten ze dat hele BHV-gedoe maar aan een select groepje enthousiastelingen toebedelen. Ik ga bij helemaal niemand levensreddend handelen.
Ja, bij mijn zoontjes. En m’n familie. En m’n Facebookvrienden. En m’n Twittervolgers. En m’n Webloglezers. En interessante vrijgezelle, goed geproportioneerde projecten.

Maar voor de rest; fuk ‘m.

KAK!

Kak

Ik heb het geprobeerd. Ik heb er alles aan gedaan. Het voortouw genomen. De kar getrokken. Echt hoor! Ik poep je niet. Maar ik moet helaas toegeven. M’n hoofd bieden. Bij de pakken neerzitten. De strijd staken. Hardlopers zijn doodlopers. Oh wacht, die slaat nergens op.
Zaterdag kwam het besef dat ik niet meer het lijf heb van, pak ‘m beet, 15 jaar geleden. Goed, het prachtlijf ziet er allemaal nog fantastisch en strak uit maar dat is de buitenkant. De binnenkant is langzaamaan aan het aftakelen. Zoals het hoort natuurlijk. We kunnen immers niet altijd, pak ‘m beet, 15 jaar geleden blijven. Ja, van de buitenkant wel maar aan de binnenkant…… Ach, je weet wat ik bedoel.

Nu gaan er hier en daar geluiden op dat een tekort aan vitamientjes mij de das om doen. Nou, dat klopt als een zwerende bus. Ten eerste heb ik een ernstig tekort aan zonlicht en temperaturen boven de 23 graden. En ten tweede drink ik bijna niks meer. Bier dat is. Ik ben een gezelschapsdrinker en daar ga je al. Het woord zegt het al. Gezelschap, dat ontbreekt er hier tegenwoordig nogal een aan.
Ik heb 12 december van het vorige jaar 3 kratten bier in de aanbieding gekocht (72 pijpjes!) en daarvan zijn er als ik dit typ nog 30 over. *noot van de redactie; Mat is langs geweest en hij hikt op een avond zo’n 27 pijpjes weg*
En ondanks dat mijn jongens tegen Jan en alleman zeggen dat ‘papa heel veel biertjes drinkt’ (weet je wat voor naam je daarvan krijgt?) kun je van mij aan nemen dat dit totaal maar dan ook helemaal NIET zo is!

Nu weet ik ook wel dat die geluiden slaan op de vitamientjes in groente en fruit wat ik in principe niet of weinig eet maar dat verwijs ik naar het rijk der bullshit. Mijn jongens eten vrachtladingen vol groente en fruit en zij zijn hebben om de haverklap snotneuzen. Dus.
En hoe verklaar je dan dat ik de rest van het jaar niet killergrieperig ben? Hè? HÈ? Zeg dan?

Nee, mijn inmiddels 11 dagen durende killergriep heeft te maken met mijn weerstand. Vanaf 23 december van het vorige jaar heb ik mijn arbeid-rusttijdverhouding een beetje verwaarloosd. En wees eerlijk, 2 echte rustdagen vanaf toen is ook wel een beetje weinig, toch? Wacht maar tot je kinderen hebt. Maar ja, iemand moet het doen toch? A mens gotta do what a mens gotta do.

En nu ben ik ook nog aan de kak. #zucht.

Ik heb zojuist een ziekteaanvraag bij mijn werkgever ingediend en het is goedgekeurd!
Dus geachte opdrachtgever, beste collega’s, lieve Tindervriendinnen, smachtende Lexagebruiksters en iedereen die op me rekent, ik ben er even tussenuit. Off radar. Uit de roulatie.

Laat die winter maar komen.

Ik kom de deur vòòr 22 juni niet meer uit. Heb even rust nodig.