
Jaren geleden, maar dan ook echt jààààren geleden, toog ik met m’n maat naar het Zuid-Amerikaanse continent om daar een avontuurlijke vakantie te ondernemen. Ik zal het pittoreske landje niet noemen omdat het niet echt relevant voor dees anekdoot is maar het begint met een V en eindigt op enezuela. En dan praat ik over jàààààààren geleden hè? Misschien dat jij, lezer, toen nog niet eens geboren was. Hell, ik had zelf nog maar pas okselhaar. Ik was 26, toen in 1997.
We verbleven in een hotelletje in het prachtige plaatsje Geenideemeerië. Ons hotelletjekamer was een van de eenvoudige soort. Een kamer, een douche, een toilet en een balkonnetje. In de hotelletjekamer stond een tweepersoonsbed die wij vanzelfsprekend, met ons meegebrachte toolkitje, vakkundig in twee delen hebben gemonteerd. We waren dan wel samen maar ‘bij elkaar’ hoorden we natuurlijk niet. Vanuit ons hotelletjeraam keken we uit op de doorgaande weg en zagen we links de rest van het hotelletje en rechts een gigantische berg liggen. Die reus trok me. Weet niet wat het is maar dat soort mystieke natuurmonumenten trekken mij op de één of andere manier. Ik zie een berg en ik wil naar de top. *help me ff onthouden dat ik nooit een hotelletje boek naast de Mount Everest!*
Bij het ontbijt op een zonnige en bloedhete zondagmiddag besloten we de massieve blok steen te bedwingen. We hulden ons in gepaste bergbeklim kledij, t-shirt – kort broekje – slippers, namen het noodzakelijke bergbeklim equipement, pakkie sigaretten, mee en gingen op weg. Hoe ver kon het zijn? Nou! Lees verder dan!
Dat Geenideemeerië was toch iets metropoler dan we dachten. Na een klein uurtje bereikten we de rand van het stadje en stonden we aan de voet van een bossage wat we ook gerust een jungletje mochten noemen. Maat toverde een Zwitsers zakmes uit zijn kort broekje, keek even goed en trok er toen een 89 cm lang kapmes uit. Ik keek versteld opzij. ‘Zit zo’n ding ook in zo’n klein mesje?’, vroeg ik. ‘Oh, dat is nog niks hoor’, zei hij en hij trok achtereenvolgens een kettingzaag, een vishengel en een steelpan tevoorschijn uit het kleine rode mesje. Ik was er van onder ingedrukt en zwoer dat ik ook zo een ding zou kopen. Na 2,5 uur kappen, hakken en maaien door het jungletje stonden we eindelijk oog in oog met een zandpad. Het pad liep glooiend en bochtend omhoog en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat dit het pad was dat rondom de berg liep. Ik zei ook; ‘ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit het pad is dat rondom de berg loopt’. Maat knikte bevestigend en vond mijn welbespraaktheid op zo’n moment zichtbaar flink. Na een welverdiend sigaretje gingen we verder. Het avontuur in. Halverwege de berg, ik schat op 263 meter van de grond, troffen we ineens een stel spelende kindertjes aan. Vrolijke kindjes. Prachtig getint, gescheurde kleertjes, blote voetjes, vliegen in de ooghoekjes, je kent ze wel. Ze schrokken toen ze ons zagen en renden weg. Tussen de struiken door de berg omhoog. Maat en ik keken elkaar even aan en vervolgden vervolgens onze weg. Na weer een bocht stuitten we op een nederzettinkje wat tegen de bergwand was gebouwd. Een stuk of 8 plaggenhutjes met hier en daar wat stevige stenen en met golfplaten als daken. Een typisch Novib-dorpje. De bewoners stonden buiten. Vrouwen met baby’s op de armen en 17 kinderen. Het ging ons aan het hart. Zelden zoiets armoedigs gezien. We benaderden de mensen met een glimlach. We kwamen tenslotte in vrede. ‘Dinero, dinero?’, zei één van de vrouwen en ze keek ons beteuterd vragend aan. Dinero, dat woord hadden we eerder gehoord. Geld! ‘Oh, dat hebben wij genoeg’!, zei maat. En hij pakte een stapel Bolivar uit zijn kort broekje. Gelukkig had hij voor aanvang van onze expeditie 200 Dollar gewisseld tegen een zeer gunstige koers. (Om je een beetje een idee te geven hoe de verhoudingen qua financieel geld in dit pittoreske landje waren: 2 Dollar = 128 Bolivar. daarvan kon een compleet gezin een week eten). We vroegen in ons beste Spaans of de mensen wat te drinken hadden. ‘Cerveza?’ De sip kijkende vrouw schudde haar hoofd en zei dat ze wel aqua hadden. Maat stak 4 vingers in de lucht ten teken dat we 4 flesjes aqua wilde. Hij gaf de vrouw een briefje van 500 Bolivar. Een brede lach toonde haar tandenloze grot. Maat stak zijn hand uit om het wisselgeld te innen maar het wisselgeld bleef uit. Hij keek verbaasd en pakte de 500 Bolivar uit haar handen. Dan maar geen water. We zwaaiden hartstochtelijk toen we verder gingen. ‘Goh, je zal hier maar zonder wisselgeld wonen, dan ben je een zakelijke nono’, zei maat. Ik zuchtte en kon het alleen maar met hem eens zijn.
Voorbij de boomgrens waren we inmiddels aanbeland toen er ineens vanuit de struiken 17 meter voor ons een enorme bad ass zwarte slang over het zandpad gleed. Er kwam geen einde aan. Het ding moet zeker 8,57 meter geweest zijn. ‘Hé, een Bamba’, zei maat. Ik begon te zingen, muzikaal als ik immers immer ben. “Bala bala la bamba” en wiegde m’n heupen Merenguegewijs heen en weer. Maat haakte in, samen zongen en dansten we vrolijk in het rond. Plots stopte de slang met vooruit glijden en keek onze richting op. Priemende ogen keken ons strak aan. We stopten terstond met ons showtje. De slang kroop onze kant op. Ik duwde maat achter me, dit kon wel eens smerig worden. Op een meter voor me ging de slang in een grote M-vorm liggen. ‘Ah! McDonald’s’, riep ik enthousiast uit. De slang begon te sissen, hevig te sissen, keek nog kwaaier en maakte zich op om aan te vallen. Ik was plotsklaps op m’n qui vive en deed “De kraanvogel”. Het monster viel met een gerichte aanval op mijn boventorso aan. Met een snelle draai om mijn as ontweek ik de happende kop. Ik sprong achterop het beest en greep ‘m bij de keel. Worstelend rolden we over het zandpad. Het immense lijf van de slang kronkelde zich om mijn lichaam, ik beet de moederneuker in zijn hals. Het was duidelijk dat geen van ons zich vrijwillig over zou geven. Het werd een gevecht op leven en dood. Maat was ondertussen op een rotsblok gaan zitten en had een encyclopedie uit zijn korte broekje gehaald. ‘Oh, het is een Mamba’, riep hij mijn richting op. ‘EEN MAMBA?’, schreeuwde ik terwijl ik de slang een rechtse directe uppercut verkocht. ‘DUS GEEN BAMBA?’ Dit was voor het dier het teken om op te geven en kroop terneergeslagen richting de bossen rechts van het zandpad. Uitgeput stortte ik op de grond en wierp mijn waardige tegenstander nog 1 blik toe. De Mamba richtte zich op, nam nogmaals de M-vorm aan en met een laatste knik verdween ie.
Na een sigaretje klommen we de laatste 37 meter naar de top verder. En 3 uur en 12 minuten later bereikten we de top van de berg. Een machtig mooi uitzicht was wat ons getrakteerd werd. We genoten van elke windstreek waarnaar we keken. Tot we plotseling geritsel in de struiken hoorden. Trrrrrrrr. Trrrrrrrr. Van alle kanten hoorden we het angstaanjagende geluid. Ik keek naar de hemel. Gieren cirkelden rond boven onze hoofden. Maat en ik keken elkaar aan. ‘RATELSLANGEN!”, schreeuwden we beiden in paniek uit.
We hebben het niet overleefd.
Sindsdien heb ik een gruwelijke schurft aan slangen.
*En zo, lieve lezer, heb je met het lezen van dit spannende avontuur weer eens 10 minuten van je leven weggegooid. Maar wat denk je hoe lang het me heeft gekost om het te schrijven?*
Vind-ik-leuk Aan het laden...