DHBO

Presentatie1Ik had m’n jongens om half 2 weer naar school gebracht en ik moest de 2 uur tot school uit door zien te komen. Ja, ik had gewoon naar huis kunnen gaan maar dan was de kans 103% geweest dat ik op de bank zou ploffen en de kans was daarna zeker 139% geweest dat ik in dut zou vallen. En die 242% wilde ik niet nemen, ik moest de nacht immers in en dus moest ik mijn schoonheidsslaapje voor de voordut bewaren.
Nee, ik besloot naar m’n mattie te gaan voor een stel uitstekende bakken koffie, een balletje pinda en een goed gesprek. Maar dat laatste blijkt toch elke keer weer onmogelijk.  Op de een of andere manier weet hij altijd binnen 2 zinnen het onderwerp te veranderen naar iets seksgerelateerd. We kletsen dan regelmatig dij.
Een oude man op de fiets beukte de zijkant van een auto en kopte daarna het asfalt. Het zag er ernstig uit. Ik kon niet ramptoeristig blijven kijken, ik moest wat doen. Haast was geboden! Ik rekte m’n kuiten, mijn hamstrings en mijn liezen. (Zal je altijd zien dat ik bij dat 21 meter sprintje een spier verrek. Nowee Gosee!)
Buiten adem kwam ik aan bij plaats accidentum, 2 vrouwen hadden zich inmiddels bekommerd over de arme man. Ik duwde de vrouwen aan de kant en verleende derde hulp bij ongelukken. Er kwam flink wat bloed uit de mond en de neus van de man. De man reageerde niet op het gekakel van de vrouwen en ook mijn gerichte vragen gaf hij niet thuis. Ik vond het nu meer dan ooit tijd voor een pijnprikkel. Ik nam een korte aanloop en trapte de man vol in zijn balzak. De man liep blauw aan en begon erg zwaar te ademen. “Dat vest moet open”, zei ik vastberaden. De man had de rits van zijn vest tot aan de adamsappel dichtgeritst. “Ja, dat had ik al geprobeerd”, zei de bestuurster van de auto. “Maar het lukte me niet.” Nee, omdat je kunstnagels hebt, dacht ik hardop.
De man opende zijn ogen en begon kalmer te ademen. Gelukkig, dacht ik, hij is bij kennis. Dat maakte het bloed aan mijn handen weer goed. 
Nadat ik zijn fiets van de straat had gepakt en netjes op de stoep had geparkeerd moest ik het verkeer regelen. Het ongeluk was op een driesprong, van alle kanten kwamen auto’s en fietsers. Iemand moest orde in de chaos scheppen. Uit mijn kofferbak pakte ik een fluitje, een klaar-overbordje, een petje van zoonlief, een pot latexverf en een dikke kwast. Ik kalkte een S en een P midden op de driesprong. Daar tussen ging ik staan. (* noot van de redactie: het is voor een verkeersregelaar belangrijk dat je exact in het midden van een verkeerspunt gaat staan!).
Geen auto of fiets bewoog tenzij ik een teken gaf. Het was voor iedereen duidelijk dat ik de driesprong roelde. Ik had er schik in. De politie kwam met 3 wagens en 3 agenten ontfermden zich over het slachtoffer. Ik kreeg te maken met een ongeduldige bestuurder. De man negeerde mijn stopteken volledig. Ik trok een rode kaart en stuurde hem van de weg af. Dit onder luid applaus van de toegestroomde sensatiezoekers. De man achter het stuur bleef stoïcijns doorduwen, ik vond het een bedreigende situatie. Er restte mij niets anders dan een agent aan te spreken op dit agressieve en bedreigende gedrag van de bestuurder. “Maar dat is de ambulance”, zei hij………………… “Ah!” Wellicht moest ik bij een volgende keer de bril op zetten. Aandachtpuntje. 
Puur uit interesse vroeg ik de bestuurster naar haar verhaal. Ze had ‘m niet gezien, zei ze. Ik keek er niet van op. Hoofdschuddend liep ik weg.

Bij mattie waste ik het bloed van m’n handen en ging op gepaste afstand staan kijken. Ik nam er een sigaartje bij. Mattie bracht een kop koffie, complimenteerde mij met m’n optreden en wees me op een bloedvlekje op m’n spijkerjackmouw. Hè verdomme, dat vind ik altijd zo vervelend. Moet ik weer naar de stomerij. Zucht.
Ik schreef mijn naam en rekeningnummer op een papiertje en liep naar de man die achter in de ambulance lag. Ik wenste hem sterkte en succes in het ziekenhuis en stopte het papiertje in zijn borstzak. Ik ga er van uit dat het met die stomerijkosten wel goed komt.

We voor wat, hoort wat’en! 

Turbo

  Ik breng binnenkort de voiture maar ’s even naar de garage. Hij moet tenslotte ook gekeurd worden. Maar dat niet alleen, er is iets met m’n trouwe metgezel. Ik kan niet precies m’n vinger erop leggen en het blijft natuurlijk gissen maar volgens mij hebben kaboutertjes er stiekem een turbo onder (in? aan?) gelegd.
Zal het uitleggen. 

Ik was deze week onderweg naar het werk en een stel tientallen meters voor de afrit, zal je altijd zien, kwam ik achter een vrachtwagen met het gaspedaal omhoog te hangen. Zucht. Haat aan. Weet iemand wat ‘Schiet ^%%#*&*%*^%$* toch ’s op man!’ in het Pools is?
Toen ik het eerste witte blokje van de uitvoegstrook in het vizier kreeg, trapte ik m’n peddle volledig in en knalde ik rechts Lamlulski met een rotvaart voorbij. Denk dat ik weer eens makkelijk de 230 aantikte. Maar wat schetste mijn verbazin………nee, mijn schrik? Er stond een Duitse camper geparkeerd op de afrit. Op een meter of 40. Met driekwart erop en het andere kwart op een smal stukje berm ernaast. Wass zum ficken!!!, schreeuwde ik uit en ik trapte het rempedaal tegen de bodemplaat van m’n auto aan. Een remspoor van zeker 187 meter tot gevolg. Maar dat kon helemaal niet want dan had ik de camper moeten raken. Dus zal het eerder 31 meter geweest zijn. (niet overdrijven, Manus! Daar trappen de lezers heus niet in.)
Met een uitwijkmanoeuvre omzeilde ik de camper en drukte ik m’n hart weer uit m’n keel.

Nou, en sindsdien turboo’t mijn auto. Op het moment dat ik rustig rijd is er niets aan de hand en dat is ook logisch. Ik bedoel, ik heb Jeremy nog nooit, terwijl hij 50 reed, over iets van turbo horen lollen. Dus.
Maar zodra ik het gaspedaal intrap, maakt niet uit in welke versnelling, knalt ie eerst heel kort naar 8000 toeren en daarna gaat ie als de brandweer. Ik vind dat natuurlijk best wel cool en ik zit tegenwoordig ook loeiend en met een blauw petje zwaaiend in de auto maar volgens mij is het niet goed. Er zat nooit een turbo onder (in? aan? Mack, help ’s ff) mijn wannabe A3 dus nu hoef ik ‘m ook niet.
Dat is het.
Of ik heb een stelletje ontzettend gladde banden voor. Dat kan natuurlijk ook nog.
Ik breng ‘m binnenkort maar ’s even naar de garage. Lijkt me verstandig.
Voor iemand me van een vangrail af moet schrapen.

We turbo’en!

Litteken

ChipNah, wat ik hier ga neerplempen geloof je nooit! Ik kan het zelf haast niet geloven. En ik heb toch inmiddels alles al wel gezien. Althans, dat dacht ik.

Maar laat ik beginnen met een intro.
Littekens, iedereen heeft ze. Ik ook. Het zijn herinneringen aan ongelukjes van vroeger. Ik heb eentje op m’n scheenbeen omdat ik lang geleden een bal van het dak wilde halen en ik vergat dat bovenaan de regenpijp een viertal scherpe anti-inbraakpunten zaten. Flatsj, met m’n scheen er vol in. Daar hing ik uren aan alleen m’n been in een van die punten. De regenpijp incluis inbraakpunten is operatief verwijderd.
Ik heb eentje in m’n handpalm omdat ik bij het klimmen me af wilde zetten op een paaltje waarop een of andere sadist prikkeldraad had vast getimmerd. Er was een Albert Heijn tas nodig om alle lappen huid naar het ziekenhuis te vervoeren.
En natuurlijk heb ik een litteken van de operatie aan m’n schouder. Weet het nog goed. De chirurg maakte een jaap van 36 cm (ja, toen was ik al breedgeschouderd) , drukte er een fabrieksstofzuiger in, zoog alle botfragmentjes op en laste de gapende wond met een gasbrander dicht. Ik weet het nog goed omdat ik me herinner dat ik na de operatie aan de man vroeg of het gebruikelijk is dit soort ingrepen zonder verdoving te doen.
Verder heb ik hier en daar op het prachtlijf nog wat kleine littekentjes waarvan ik de oorsprong niet weet en heb ik tenslotte nog een stel flinke units op m’n ziel.

Ik zat net bij de kapster en dat is altijd lachen, gieren maar ook brullen. Zij is een vlot gebekte Amsterdamse en ik ben,……….. ja ik. Een vrouwonvriendelijke lompe hork. En dan als ik bij haar ben een graadje erger. Schitterend verbale vuurwerk levert dat altijd op. Ze maakte me blij toen ze eindelijk toegaf dat ik hier en daar wat grijs word. IIIIIEEEEEHAAAAAAA!!! Ik sprong uit de stoel en deed de Horlepiep. EIN-DE-LIJK!!!! (voor de nieuwe lezers hier; Ik wil al jaren grijs worden want cool. Zie Joep van Deudekom). Mijn dag kon niet meer stuk. Zelden was ik in een jolijterige bui.
Maar de stemming sloeg plots om toen ze mijn nek harste. Ze slaakte een angstvallige kreet en sprong achteruit. ‘Er zit iets in je nek!’, zei ze met een bibberende stem. IJzig kalm ging ik staan, pakte haar bij haar arm en slapte haar in het gezicht. ‘Kalm neer!’, gebood ik. ‘Ik heb je koel nodig.’ En om er zeker van te zijn dat ik het ernstig bedoelde, slapte ik haar andere wang ook. Ik zei haar dat ze de op-het-achterhoofd-kijkspiegel moest pakken en het “iets” in mijn nek aan me moest laten zien.
Het was een litteken. Eentje van een centimeter of 4,8. HUH?? Die kende ik niet. Hoe kwam die daar? Mijn hersenen schakelden razendsnel naar de black ops-modus en ik concludeerde dat er iets in mijn nek geïmplementeerd moest zijn. Ik pakte de scherpste schaar die voor me op de kaptafel lag. Ik vroeg kapster om iets te halen om de aanstaande wond te ontsmetten. Ze kwam terug met een fles kleurspoelingshampoo. Ik nam een slok, het smaakte vies. Ik mikte de fles in de hoek. Met de schaar begon ik in m’n nek te wroeten maar het lukte me niet om de juiste plek te vinden. Daar zat ik dan met een opengereten en bloedende nek.
Kapster was weer iets bij positieven gekomen en ik vroeg haar het “iets” uit mijn nek te halen. Kokhalzend en trillend gleed ze met een pincet in de wond. Ik voelde dat ze er iets uit trok. Het voelde fijn. Ik zaadloosde, geen idee waarom. Met een gil liet ze de pincet èn het voorwerp op de grond vallen. Ik plaatste een vrouwonvriendelijke grap. Gevolgd door een botte opmerking. Ik had niet het idee dat het tot haar doordrong. Ik keek aandachtig naar het voorwerp dat in de gigantische plas bloed lag. Ik moest mij sterk vergissen maar het leek toch verdomd veel op een chip.
Het was tijd om m’n haar te föhnen, ik ging er goed voor zitten. Kapster gelde mijn kapsel in een model die ik thuis er toch weer uit zou spoelen en ik vroeg haar ook nog even m’n wenkbrauwen, neusharen en oorharen mee te nemen. Ik stond op om te betalen. Ik wenste haar een fijn weekend en wilde weer gaan. ‘Wat moet ik met dat ding?’, vroeg ze. Oja, de chip, is ook zo. Was ik alweer helemaal vergeten. Ik pakte de chip op en deed ‘m in m’n broekzak.
Eenmaal thuis legde ik de chip onder de microscoop maar dat bleek mijn leesbril te zijn want ik heb niet eens een microscoop thuis. Ik ontdekte een partiële vingerafdruk en 4 letters op de chip;
L.A.Y.S.   
Iemand een idee welke geheime instantie dat nou weer is?

Nou, dit geloof je toch niet?
Zei het toch al.

We littekenen!