In mijn alcoholische gloriejaren, laten we zeggen tussen m’n 16e en 26e, groeide ik op in Hilariteitië. En een grote rol, misschien wel een centrale rol, speelde de buurtkroeg hierin. De buurtkroeg was een voormalig Bar-dancing from the seventies. (Mèn, wat had ik die tijd graag meegemaakt!) Goed, er werd in mijn beginjaren nog wel af en toe gedancingt maar het werd toch meer en meer een bar in de loop der jaren. Sterker nog, het werd een kroeg. Exact 2,16 minuten lopen van m’n huis. Nuchter, dat is.
Ideale opstapplek voor het èchte werk; de stad in. Tegen elven verzamelen in de kroeg, warmpilsen en dan tegen tweeën de stad in, dat waren de meeste vrijdag en zaterdagavonden in mijn alcoholische gloriejaren.
Toch moet ik eerlijk zijn, 7 van de 10 keer was er geen drol aan in de kroeg en zat je maar een beetje tegen de klok te hikken. Maar er waren dagen dat het raak was. Vaak 1 keer per maand. Dan had de kroegbaas er zin in, kwamen de jongens en meiden van de vorige generatie en was iedereen van mijn vriendengroep en ikzelf aanwezig om de kroeg op te leuken. En dan was het feest! Dees anekdoot gaat over zo’n dag.
Ik zat op een kruk op 2 poten tegen de muur geleund uit te puffen van een vechtpartij een striptease een karaoke-optreden een lachbui tja, weet ik eigenlijk niet meer toen opeens één van de krukpoten weggleed en ik op m’n reet viel. Hilariteit alom! Man man man. Bulderen. Gieren. Biggeltranen. Iedereen had een slappe. Schitterend.
Ik stond op en bestelde een nieuw biertje. We gingen verder hilareren waar we gebleven waren. Tot iemand ineens zei dat mijn pink raar zat. En inderdaad, mijn pink stond haaks op mijn linkerhand. Huh? Het leek er toch sterk op dat de pink uit de kom was. Die diagnose deelde eigenlijk iedereen wel. Het ziekenhuis was om de hoek. Ik besloot er even naar toe te gaan. Ook al was het midden in de nacht, er zou vast wel iemand zijn die me kon helpen, dacht ik zo. Fictieve naam ging met me mee. En ook fictieve naam. En ook fictieve naam. We gingen uiteindelijk met een mannetje of 13.
De verpleegster liep naar achteren nadat ze mijn verhaal had aangehoord. Wij namen plaats in de wachtruimte. Hier rolden de grappen en grollen uit de ene en de andere rechtermouw. Het was gezellig. Niet rumoerig of luidruchtig ofzo hoor, gewoon gezellig. Ja, fictieve naam had een beetje een harde lach maar daar kon hij toch ook niets aan doen natuurlijk.
Er kwam een chirurg door de deur. Tenminste, daar ga ik vanuit. Hij droeg lichtgroene kledij. En had een monddoekje voor zijn keel. En zo’n groen mutsje op. En had een intelligent brilletje op. Nou, dan ben je voor mij al gauw een chirurg.
“Ik ga u niet helpen omdat u gedronken heeft”, zei hij. “Komt u morgen maar terug als u nuchter bent.” Het werd stil in de wachtkamer. “Wat zegt u?” De chirurg herhaalde zijn woorden en verzocht ons het ziekenhuis te verlaten. Hij draaide zich om en verdween door de deur, ons verbijsterend achterlatend.
“Nou, dan gaan we toch weer”, zei fictieve naam en hij nam dè positie aan. De anderen en ikzelf sloten aan. We zetten het deuntje van de toenmalige kaasblokjesreclame in (tatata de tatata de tatata de taaaa) en liepen in polonaise richting uitgang. Maar niet vòòr dat we flink wat afdelingen over waren gegaan. Whoehahaha.
Gelukkig konden de meeste patiënten het wel waarderen. En het verplegend personeel ook wel trouwens.
We gingen terug naar de kroeg en vertelden ons avontuur. Bulderen. Gieren. Biggeltranen. Iedereen had een slappe. Schitterend.
De volgende dag werd ik gillend van de pijn wakker.
(noot van de redactie: misschien vind je dit geen lollig verhaal. Dat kan en mag ook. Maar dit is het favoriete voor-het-slapen-gaan-verhaal van zoonlief. Als ik aan het eind van het verhaal de polonaise doe; Bulderen. Gieren. Biggeltranen. Een slappe bij het kleine mannetje. Schitterend.)



