43, een lekkah nummah.
Dat zeg ik.
(ps. er mag gethongzoend worden vandaag)
43, een lekkah nummah.
Dat zeg ik.
(ps. er mag gethongzoend worden vandaag)
Weet je, ik raak er inmiddels aan gewend. Het is nu eenmaal zo en ik ga me er niet meer druk om maken. Kost me klauwen vol met energie en ik heb er simpelweg de puf niet meer voor. Ik ben tot het besef gekomen dat het niet aan mij ligt maar dat er bij de anderen een defect in de hersenen is. Tegenwoordig lach ik vriendelijk, knik ik instemmend en mocht ik in een goeie bui zijn, wil ik er ook nog wel eens een laf zwaaitje uit gooien. En dat die anderen dan uiteindelijk teleurgesteld en gedesillusioneerd achter blijven, nou ja, fuk ‘m.
Rob Geurts (als ik in een eettent zit), Anton Jansen (als ik op het voetbalveld sta), Wouter Bos (als ik een rode jas aan heb), ik heb ze allemaal al een keer gehad. Maar wat me vanochtend is overkomen, NAH!, dat geloof ik zelf bijna niet.
In een niet nader te noemen etablissement in mijn niet nader te noemen dorp sta ik vanochtend aan de bar te genieten van een kopje koffie. Aan de bar inderdaad, het was er druk. Alle tafels waren bezet en buiten op het terras was een vrijgezellenfeestje gaande. Een hele bult vrouwen. En je raadt het al, de toekomstige bruid zag er het aantrekkelijkst van allemaal uit. Heb ik weer……..
Op een gegeven moment komt een meid van het toilet en ze loopt, al snuffelend in haar tas, de zaak in. Ze botst tegen me aan en ik giet een deel van mijn koffie over de bar. Terwijl ik me zuchtend omdraai en ademhaal om haar een flinke pets te geven, rent ze keihard naar buiten. Naar het vrijgezellenfeestje.
Ik besluit er verder geen aandacht aan te schenken en herstel mijn zenhouding.
Ik bestelde nog zo’n heerlijk bakje koffie. Als ik het eerste slokje naar binnen werk, wordt plotseling de voordeur opengesmeten en komen de vrouwen van het vrijgezellenfeestje binnengestormd. Gillend en krijsend. Duwend en trekkend. Tafels vielen om. Glazen vielen om. Barkrukken vielen om. De gordijnen begaven het. Een wat oudere vrouw werd onder de voet gelopen. Haar echtgenoot probeerde haar omhoog te helpen maar werd door de uitzinnige menigte vrouwen pardoes voorover een plantenbak ingeduwd. Het was totale chaos. Gasten doken in totale paniek de keuken, de toiletten en de garderobe in. “Wat zullen we nou krijgen?”, dacht ik en ik zette me schrap om de stampedende vrouwen tegen te houden. Of in elk geval te ontwijken.
Zo abrupt als ze binnenkwamen, zo abrupt stopten ze ook ineens met gillen, krijsen, duwen en trekken. Één van de meiden werd door de bruid mijn richting opgeduwd. Ze begon me aandachtig aan te kijken. Ik fronste mijn wenkbrauwen. “Wat zullen we nou krijgen?”, dacht ik. Het werd doodstil in de zaak.
‘Nee, volgens mij niet nee’, zei het mij aanstarende meiske. Ze schudde haar hoofd heftig heen en weer. ‘Weet je het zeker?’, werd er vanachter uit de groep geroepen. ‘Nee, George heeft een vollere kin. Dit is hem niet’, antwoordde het meiske. Ze dropen af naar het terras en vervolgden hun vrijgezellenfeestje.
En het enige wat ik dacht was; “Nou, dat hebben we ook weer gehad. Wat kan ik vandaag nog meer verwachten? What else?” En ik bestelde nog maar eens zo’n heerlijke Nespresso.
Sjeesus, wat een flauw plaatje heb je er weer bij gemaakt, Manus. De borstel van dees anekdoot is “BHV” en jij verzint er een BH met vee erop bij. Sjonge jonge, hoe oud ben je? Ik hoor het je denken.
BHV, Bedrijfs Hulp Verlening. Brandje blussen, ontruimen, EHBO encetera. Heb jij het ook? Ja, tuurlijk heb jij het ook. Heel Nederland heeft BHV. Heel Nederland zit gedwongen 1 of 2 keer per jaar in zo’n duf lokaal te luisteren naar zo’n wèl enthousiaste ambulancebroeder of brandweerman. En dat is nu mijn punt. Zij zijn wèl enthousiast. Kijk, er zullen ongetwijfeld een heleboel mensen zijn die zich geroepen voelen om de medemens te hulp te schieten en eventueel (proberen) te repareren mocht dit nodig zijn. Maar het overgrote deel geeft geen fuk om het repareren van mensen. En met het overgrote deel bedoel ik moi natuurlijk. Ik repareer geen mensen. Fuk ‘m. Ja, mijn zoontjes maar voor de rest niemand hoor. Sterker nog, in mijn vak zit ik aan de andere kant van de medaille. Ik breng schade toe aan mensen. Zou wat zijn zeg, leg ik eerst iemand voor 89% om, moet ik ‘m daarna weer repareren. Tsssss, dat zou even conflicterend werken!
Deze stellige mening mijnerzijds levert trouwens wel mooie discussies en ernstig verbaasde gezichten op. De vraag was eens tijdens een BHV-les; “Je rijdt in je auto in een afgelegen gebied en je ziet iemand gewond op straat liggen. Wat doe je dan?” Sneuert bij mij de groep reageerde direct uitbundig door te zeggen dat hij de auto uitspringt en eerste hup verleent. Een staande ovatie van de rest van de groep viel hem nog net niet ten deel en ik ontwaarde zelfs een licht stijfje bij sneuert. ‘Ik zou op een afstandje gaan staan, in de auto blijven, 112 bellen en wachten tot de hulpdiensten er zijn. Fuk hem’, zei ik. Verbaasde gezichten all over the place. ‘Dat doe je toch niet? Je biedt toch gelijk hulp? Het kan een situatie van leven of dood zijn!’, gilde een zeikmuts. ‘Ja hallo, voor hetzelfde geld is het een ambush, zit er iemand in de bosjes en word je overvallen. Duhuu’, antwoordde ik uiterst kalmpjes. En dan die reacties joh, HI LA RISCH!
En bij de laatste BHV-les stoorde ik me aan het feit dat men er maar van uit gaat dat alle aanwezigen hulp bieden bij ongelukken. Toen ik kenbaar maakte dat ik dat dus niet doe ging er een golf van verontwaardiging door het duffe lokaal. ‘Dus, als ik hier neer zou vallen, zou jij mij niet helpen?’, vroeg een wat oudere suflul. ‘Neuh. Fuk jou’. En dan die gezichten joh, HI LA RISCH!
Nee, laten ze dat hele BHV-gedoe maar aan een select groepje enthousiastelingen toebedelen. Ik ga bij helemaal niemand levensreddend handelen.
Ja, bij mijn zoontjes. En m’n familie. En m’n Facebookvrienden. En m’n Twittervolgers. En m’n Webloglezers. En interessante vrijgezelle, goed geproportioneerde projecten.
Maar voor de rest; fuk ‘m.
Ik heb het geprobeerd. Ik heb er alles aan gedaan. Het voortouw genomen. De kar getrokken. Echt hoor! Ik poep je niet. Maar ik moet helaas toegeven. M’n hoofd bieden. Bij de pakken neerzitten. De strijd staken. Hardlopers zijn doodlopers. Oh wacht, die slaat nergens op.
Zaterdag kwam het besef dat ik niet meer het lijf heb van, pak ‘m beet, 15 jaar geleden. Goed, het prachtlijf ziet er allemaal nog fantastisch en strak uit maar dat is de buitenkant. De binnenkant is langzaamaan aan het aftakelen. Zoals het hoort natuurlijk. We kunnen immers niet altijd, pak ‘m beet, 15 jaar geleden blijven. Ja, van de buitenkant wel maar aan de binnenkant…… Ach, je weet wat ik bedoel.
Nu gaan er hier en daar geluiden op dat een tekort aan vitamientjes mij de das om doen. Nou, dat klopt als een zwerende bus. Ten eerste heb ik een ernstig tekort aan zonlicht en temperaturen boven de 23 graden. En ten tweede drink ik bijna niks meer. Bier dat is. Ik ben een gezelschapsdrinker en daar ga je al. Het woord zegt het al. Gezelschap, dat ontbreekt er hier tegenwoordig nogal een aan.
Ik heb 12 december van het vorige jaar 3 kratten bier in de aanbieding gekocht (72 pijpjes!) en daarvan zijn er als ik dit typ nog 30 over. *noot van de redactie; Mat is langs geweest en hij hikt op een avond zo’n 27 pijpjes weg*
En ondanks dat mijn jongens tegen Jan en alleman zeggen dat ‘papa heel veel biertjes drinkt’ (weet je wat voor naam je daarvan krijgt?) kun je van mij aan nemen dat dit totaal maar dan ook helemaal NIET zo is!
Nu weet ik ook wel dat die geluiden slaan op de vitamientjes in groente en fruit wat ik in principe niet of weinig eet maar dat verwijs ik naar het rijk der bullshit. Mijn jongens eten vrachtladingen vol groente en fruit en zij zijn hebben om de haverklap snotneuzen. Dus.
En hoe verklaar je dan dat ik de rest van het jaar niet killergrieperig ben? Hè? HÈ? Zeg dan?
Nee, mijn inmiddels 11 dagen durende killergriep heeft te maken met mijn weerstand. Vanaf 23 december van het vorige jaar heb ik mijn arbeid-rusttijdverhouding een beetje verwaarloosd. En wees eerlijk, 2 echte rustdagen vanaf toen is ook wel een beetje weinig, toch? Wacht maar tot je kinderen hebt. Maar ja, iemand moet het doen toch? A mens gotta do what a mens gotta do.
En nu ben ik ook nog aan de kak. #zucht.
Ik heb zojuist een ziekteaanvraag bij mijn werkgever ingediend en het is goedgekeurd!
Dus geachte opdrachtgever, beste collega’s, lieve Tindervriendinnen, smachtende Lexagebruiksters en iedereen die op me rekent, ik ben er even tussenuit. Off radar. Uit de roulatie.
Laat die winter maar komen.
Ik kom de deur vòòr 22 juni niet meer uit. Heb even rust nodig.
Ik vind het wel weer eens de hoogste tijd jou, jeugdige lieve lezer/leester, het één en ander op muziekgebied bij te brengen. Ik vind dat ik dat zo nu en ook dan moet doen willen we met deze samenleving en de generatie erna niet afglijden naar een bedroevendst niveau op muziekgebied.
Maar ook aan jou, lieve lezer/leester van vòòr 1975, heb ik natuurlijk gedacht. Voor jou zal deze muziekles een stortvloed aan OH’s en AAH’s en VERREK, IS OOK ZO’s opleveren. Maar deze maal doe ik het niet op de recht voor z’n raapmanier, NEEN!, ik stop in dees anekdoot een geheime boodschap. Hoop dat je ‘m kunt ontdekken. OEI, SPANNOND!
C.W. McCall, zegt je die naam iets? Waarschijnlijk niet hè? C.W. McCall is de zanger met de meest Barry Whiteste stem aller tijden. En hij is de zanger van de meest coolste filmtitelsong aller tijden, Convoy. Zijn echte naam is William Dale Fries jr. Inderdaad, dat is dan weer jammer, zo’n achternaam maar ik zie het voor deze keer through de vingers. Zijn naam verklapt dat hij Nederlandse wortels heeft. Maar dat is ook niet zo gek daar wij in een ver verleden de hele wereld roelden.
De song is een soort van een-tweetje tussen C.W. en een stel breaky breaky truckchauffeurs. De titelsong verraadt eigenlijk de hele film maar dat begrijp je alleen als je de Amerikaanse taal onder de knie beheerst. “Yeah, them smokies is thick as bugs on an bumper” is zum bleistift een hilarische vertaling van “hè verdorie, de politie zit me op de hielen”.
De film dan. Convoy gaat over een setje vrachtwagenchauffeurs die, onder leiding van ‘Rubber Duck’ (gespeeld door Kris Kristofferson), het aan de stok krijgen met de plaatselijke sheriff (Ernest Borgnine). De reden is te verwaarlozen en het zou ook met een waarschuwing en berisping afgedaan kunnen worden maar de filmmakers besloten het de hard way op te lossen. Waarschijnlijk stond dit in het script. Wie zal het zeggen? In elk geval is Rubber Duck het niet eens met de regels, gooit z’n ass in de krib en staat op tegen de gevestigde orde. Wat volgt is een achtervolging van staat naar staat tussen de sheriff en de steeds groeiende stoet vrachtwagens. Elke weg die Rubber Duck inslaat, elk dorp die Rubber Duck passeert, elke stad die Rubber Duck doorkruist, elke staat die Rubber Duck achter zich laat, overal staan solidaire truckers te wachten om aan te sluiten in de rij vrachtwagens. Maar ik moet me sterk vergissen hoor, pin me er niet op vast en ik weet niet hoe groot Amerika is maar volgens mij rijden ze nooit verder dan 80 km max. De film duurt immers maar een kleine 107 minuten. En laten we een gemiddelde truck nou 100 km/u geven, reken daar de vecht/vrij/vreet/zuippartijen bij en voila, met 80 km aan afgelegde afstand houdt het volgens mij wel op. Maar ook daar zullen ze in de filmwereld wel een truckje (ha!) voor hebben. Tegen het einde van de film bestaat de rij uit 1000 screamin’ trucks (volgens C.W.) en wat volgt is een knallend einde.
En dan nu de geheime boodschap:
Het gaat niet goed in en met ons landje. Teveel mensen zijn of raken werkloos. Teveel bedrijven gaan over de kop. Teveel huisbezitters moeten noodgedwongen hun huis verkopen. Teveel hongerigen kloppen aan bij voedselbanken. Teveel ouderen krijgen te weinig of geen verzorging. En ga zo maar voorts. Het geld stroomt wel alleen de verkeerde richtingen op. De, door de burger gekozen, meneren en mevrouwen van de politiek politieken niet voor de burger. De burger die het grootste deel van de Nederlandse inkomsten ophoest.
En dat kan niet. Dat moet stoppen. Tot hier en niet verder.
Ik stel voor dat we op een willekeurige dag (laten we zeggen maandag 24 maart) Nederland plat leggen. Plat leggen door middel van een konvooi. Een konvooi richting het Haagse.
Het plan: De start van het konvooi is in Groningen, het epicentrum van de revolutie. Op het Julianaplein beginnen om 08.00 uur de eerste wagens stapvoets te rijden richting Friesland. Vrachtwagens, personenauto’s, motoren, brommers, scooters, fietsen, wandelwagens, rollators, alles en iedereen kan zich geheel vrijblijvend aansluiten. Onthoud dat we enkel de rechterbaan van de snelweg gebruiken! Dit om niet-deelnemers (hierna te noemen als NSB’ers lutsers inhaalruimte te geven). Vanuit Friesland trekken we de Afsluitdijk over richting Noord-Holland. Richting Amsterdam en via Utrecht – Arnhem – Helmond – Maastricht – Eindhoven – Breda – Rotterdam zullen we rond de klok van 12 uur in Den Haag aankomen. Alwaar wij met de aanwezige voertuigen het Binnenhof volledig en hermetisch van de buitenwereld af zullen sluiten. En dan…………….ja, wat dan? Nou ja, dat zien we dan wel weer.
Let wel; het is een vreedzame actie! Enige vorm van geweld/vandalisme wordt onmiddellijk, zonder pardon en op ernstige gruwelijke wijze door ondergetekende in de kiem gesmoord.
Zo! Tot zover de geheime boodschap. Ik ga uit van a 1000 screamin’ trucks. Minimaal. Maar het Nederlandse volk kennende zullen het er duizenden en duizenden meer zijn.
Ik zou zeggen; TIJD VOOR REVOLUTIE!!! Kijk de film, doe wat leuks aan en sluit je aan.
Oja, vergeet niet een lunchpakketje niet mee te nemen.
Ps. ik ben er zelf niet bij, ik moet werken.