Dik 36 graden

Het is al weer even geleden dat ik m’n masterclass Muziek Waarderen aan jou, jeugd, gaf.
Je weet wel, de masterclass waarin ik jou, jeugd, kennis laat maken met echte muziek. Met lekkere muziek. Met muziek zoals Magnus Ulysse Ziek het in 1462 voor ogen, in dit geval is oren beter trouwens, had toen hij er in het studentenhuis te Groningen eens goed voor ging zitten.

En laten we eerlijk zijn, jij, jeugd, hebt deze masterclass natuurlijk nodig. De hele dag naar dezelfde 10 platen luisteren gaat ook zo vervelen immers.

Vandaag gaan we het hebben over totaalgeluid. Ik las dat woord ergens en dacht ja, dat is iets waar jij, jeugd, nou niets tot weinig van af weet.
Totaalgeluid is het totaal aan geluid wat in een plaat te horen is. Joh!
Of eigenlijk het totaal aan geluid wat in een plaat te horen kan zijn. Want zo heel af en toe hoor ik platen waarvan mijn geoefende oor zegt, ‘nou, daar hadden ze best wat meer mee mogen doen in de studio’.
(Voor de jeugd; Een studio = waar muzikanten vroeger samen speelden en waar de muziek werd opgenomen. Oh, wacht ff. Muzikanten = mensen die een instrument bespelen. Oh, nog iets. Instrumenten = attributen waaruit muziek komt/waarmee je muziek kunt maken.
Sjeesus, moet ook alles uitleggen aan die fukjeugd met hun computermade muziek!!)

Het totaalgeluid vangen in 1 plaat is alles behalve eenvoudig. Daar komt veul meer bij kijken (horen HA!) dan een middagje wat plakken en knippen. Daar gaan soms wel weken overheen. Moet die schuif iets hoger? Of juist iets lager? Moet die toon eruit springen? Of is juist die toon volkomen overbodig? Moet onder dat instrument een echo? Moet dat instrument op de achtergrond continu mee dreunen? Gaan we dubben of doen we een overtake? Bier of Whiskey? Vragen, vragen, vragen.

Mèn, wat een gelul.
Gewoon een ontzettend fijn nummer dit.

Of niet?

(en het is ook nog eens een lief liefdesliedje………………………….zal ‘m ’s ff aan een aantrekkelijke vrouw laten horen)

Mijn theorie

Tot 2006 werkte ik op een middelbare school en daar kwam ik in aanraking met een jongen van een jaar of 20. Ik ben zijn naam vergeten, laten we hem X noemen. Hij was een rustige jongen. Een vriendelijke jongen. Een geraffineerde jongen. En vooral een koele jongen. Groot fan van Scarface, dat vond hij een geweldige film.
Ik had al snel in de gaten dat hij ‘de leider’ was van een groepje. Het groepje bestond uit een mannetje of 8. De tegenwoordig zo bekende agressieve, intimiderende en respectloze jongens.

Ik kwam X met grote regelmaat tegen op de gang, in de aula of op het schoolplein. En steevast vroeg hij me waar de kluis van de school stond. En steevast antwoordde ik dat ie in de atoomkelder onder de school stond. Of dat ie op mijn zwaarbeveiligde kantoortje stond. Of dat ik dagelijks het geld van school mee naar huis nam. Ik lulde maar wat. Hij kon het wel waarderen.
En ondanks dat hij een vreselijk irritant mannetje voor docenten en andere personeelsleden was, had ik wel respect voor hem. Ik mocht hem eigenlijk wel.
Als hij weer eens een docent het leven onmogelijk maakte en zich moest melden bij mij voor corvee, zag ik dat wel eens door de vingers. Aan de andere kant hield hij zijn lastige groepje in toom tegenover mij en m’n collega’s. Win-winsituatie.

Toen Cees Lieftink vorig jaar overvallen in zijn huis en doodgeschoten werd, moest ik direct denken aan X. Ik kan het niet uitleggen maar het leek me zijn stijl. We waren 5 jaar verder en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat hij geen carrière had gemaakt in de criminaliteit.
En als ik dit vermoeden had, dan moest de politie en justitie dezelfde gedachte hebben. In mijn tijd op school heb ik ze namelijk met grote regelmaat voorzien van gedetailleerde informatie over het betreffende groepje.

Vorige maand is er in Voorthuizen weer een huisoverval geweest. Ik nam het voor kennisgeving aan. Ik kijk tegenwoordig nergens meer van op. Tot ik een detail las die me toch weer aan X deed denken. Bij de overval is een vermoedelijke dader zwaargewond aangetroffen. Toen agenten hem vroegen naar zijn naam, zei hij; “Klaas”.
En dat was weer precies zijn stijl. Hoe erg de situatie ook, hij zal koel en geraffineerd blijven en dus nooit zijn echte naam prijsgeven.
Hij is aan zijn verwondingen overleden. Gestorven in het heetst van de strijd. Go with a bang.
Net als zijn held, Scarface.

Dit is mijn theorie.
Maar het kan natuurlijk ook allemaal stierenpoep zijn.

Procenten

Hoe groot is de kans dat iemand, met een voor 96% aan dood lijf, het overleefd?
Niet zo heel groot hè? Daar gaat de stekker uit. Die pijpt Maarten. Die heeft z’n laatste scheet gelaten.

Woensdagavond takelde mijn lijf in rap tempo af van de volle 100% naar een 75%. Hoge koorts en een lichtgeïrriteerde keel. Niet weer hè, dacht ik.
Woensdagnacht ging het lijf harder achteruit. Het licht in lichtgeïrriteerde verdween, het slikken ging lastig. Het lukte me met pijn en moeite een bord kipnuggets weg te werken. Die nacht doorgekomen met lichte dutjes. En dan moet je lichte dutjes zien als dutjes van maximaal 3 minuten. Want dan liep m’n muil weer vol met tuf en moest ik slikken. En dus werd ik met een pijnscheut wakker.
Donderdagochtend stond het lijf op 60%. Ik wist het nu zeker, dit was een levensechte killerkeelontsteking. Ik ging pijnstillers halen. Finimal leek me wel een goeie naam.
En bij een killerkeelontsteking hoort vanzelfsprekend koortsaanvallen, verkoudheid, oorpijn, hoofdpijn, hoesten, dunne poep en diepgele plas. Ik introduceerde het ‘tufbakje’ op het wereldwijde web en werd prompt overspoeld met “gatverdammes”, “ranzig”, “gore vent” en meer van dit soort smerige schuttingtaal. Uitspugen was toch minder pijnlijk dan inslikken en dat is voor een gevoelig tiep als ik, die alles maar van iedereen slikt, een hele uitkomst. Ik begreep de ophef niet zo.

Donderdagmiddag ging het lijf onder de 50%-grens toen m’n longen zich ermee gingen bemoeien. Een hoestbui resulteerde in knielend voor de toiletpot hangen om een groot gedeelte van m’n longinhoud in genoemde pot te ejaculeren.
Ik was definitief aan flarden en geknakt.
Donderdagnacht heb ik de danspasjes van ‘Thriller’ ingestudeerd, een zombie was ik immers toch al. En trouwens, je moet je toch bezig houden als liggen lastig gaat omdat je keel en je tong opgezwollen zijn en ook nog je neus dicht zit. Eenmaal doezelde ik weg en werd ik even later in paniek wakker omdat ik geen lucht kreeg.
Vrijdag kwam het lijf in de letale zone, onder de 10%. Zelfs m’n prachtig zoetgevooisde donkerbruine Barry Whitestem was verworden tot een zielig piepend geheel.
M’n lieve Klazien kwam een pak blanke vla brengen. Ik moest toch iets eten. Ik had ‘r gewhatsappt dat ze het maar beneden moest neerzetten. Een killerkeelontsteking is hoogst besmettelijk en ik wil niet op m’n geweten hebben dat zij eraan onderdoor zou gaan.
Ik wachtte een minuut nadat ik de benedendeur had opengedrukt en zwalkte naar beneden. Ze zat nog voor de deur in de auto. En ook haar dochtertje. Het arme kind begon vreselijk te krijsen toen ze ome Gekkie zo als een zombie zag.

Dit kon zo niet langer. Ik moest heavier material hebben. En bij wie kon ik dat beter halen dan bij m’n eigen dealer? Ik belde de assistente van de huisarts. Ze vroeg hoe hoog de koorts was. Hoe ik het ook deed en waarin ik ‘m ook stak, de thermometer gaf 33,3 aan. Het lijf was gezakt naar 4% en was klinisch dood. Ik kon om 15 uur komen.
M’n keel stond op knappen, ik ging douchen. Daar zou ik iets van opknappen.
Voor de vorm keek de huisarts even in m’n strot en zei en passant dat Finimal geen drol helpt. Ik kon hem niets anders dan gelijk geven.
Het zware spul ben ik gistermiddag beginnen in te nemen en afgelopen nacht, rond de klok van 3-en, voelde ik dat het lijf positief reageerde. Het klom langzaam naar 10%.
En nu ik deze zwaarmoedige anekdoot typ, gaat het alweer stukken beter. Laten we het op 40% houden.
Zo maar ’s even vast voedsel proberen.
En een goeie nachtrust. Daar teken ik ook voor.

Bedankt voor al jullie medeleven, lieve beterschapskaarten, fruitmanden en overige verwensingen.
Ik vind hetzelfde van jullie als jullie van mij.

Trust me

Zoals je weet bestaat een groot gedeelte van mijn leven uit gevaar. Uit dreiging. Uit rampspoed. Uit kwaad. Uit gevaar maar dat had ik al als eerste genoemd dus deze zin kun je met een gerust hart overslaan. Haha, te laat!
Ik ben daarom een behoedzaam tiep. Ik zal nooit en te nimmer voor een verrassing komen te staan. Ik check alles tot in den treure. En ik zie ook alles. En als me dat niet lukt, dan ga ik zorgen dat ik alles kan zien.
Ik kom zum bleistift zojuist thuis van een avonddienst en vòòr ik m’n penthuis binnenkwam had ik al een heul draaiboek afgespeeld.
Ik kan natuurlijk niet de details prijsgeven maar het heeft te maken met rookbommetjes, dubbele flikflax, een spagaat, koprollen en tomatenketchup. Niets laat ik aan het toeval over.

Niet alleen voor mezelf ben ik een hoeder hoor, ook voor m’n naasten. Natuurlijk ten eerstens m’n kinderen. Zij groeien op de meest veilige manier op als ze bij mij zijn. Geen haar wordt er gekrenkt, geen vinger wordt er naar ze uitgestoken, geen scheet zit dwars zonder dat ik het in de gaten heb! Niet op mijn horloge!! (voor diegene die deze onwijs jolige Engelse vertaling niet begrijpt, het is Not on my watch).

Maar ook jij, lieve lezer. Ook jij zal ik natuurlijk altijd behoeden voor gevaar, kwaad, dreiging, rampspoed en gevaar.
Neem daarom de volgende boodschap goed in je op. Lees het hardop voor zodat anderen om je heen het ook mee krijgen. Zeg het tegen familie, vrienden en fruit, ook maar je kennissenkring. Zorg dat telefoonlijnen oververhit raken. Maak het met 1 tweet world wide trending.
…………………… Komt tie:

PAS OP VOOR ALEXANDER PECHTOLD!

Meer zeg ik niet. Alleen PAS OP VOOR ALEXANDER PECHTOLD!

Trust me.

I know what I’m doing.

Nog een kans

Ik woon tegenwoordig best wel gekluizeneerd. De dichtbegroeide enorme bomen in m’n voortuin belemmeren nieuwsgierigen elke vorm van zicht op en in mijn penthuis. Ook mijn buren (links, rechts en onder) zullen het niet in hun hoofd halen om hals-nek-rug-arm-been-en-overig skeletbrekende toeren uit te halen om bij mij naar binnen te kunnen kijken. Ze accepteren het liever dat er, voor hen, een mysterieuze man woont dan dat ze te pletter storten.
En geef ze ’s ongelijk. Toch?

Ik daarentegen heb uitzicht van hier tot Tokyo. Als Tokyo hier 30 meter vandaan zou liggen natuurlijk.
Niet dat ik behoefte heb om mijn linkerbuur (ouwe zeur), rechterbuur (look-a-like van m’n weblogmaat) of onderbuuf (is dus 51 hè!) te begluren. Kep wel wat beters te doen. Maar ik zou het wèl kunnen!

Waar wil ik naartoe met dees anekdoot? Goeie vraag. Ik wil met dees anekdoot naar de overbuur.
Er is 1 appartement dat een goed zicht heeft op mijn penthuis en dat is het hoekhuis in de flat naast de mijne. Het appartement van de overbuur. Vanzelfsprekend is het vice versa ook zo. Van daar kijk je hier in m’n huiskamer, van hier kijk ik daar in de slaapkamer.
Er woonde tot vorige week een vent in. En middels deep contra contra en dan daar weer contra intel van weet ik dat hij dit appartement huurde.
Hij is een beetje plotseling, opvallend snel en, volgens mij, als een dief in de nacht vertrokken. (dat soort dingen valt mij op, black ops-dingetje. Lang verhaal).
Ja, maar waar wil je nou heen met dees anekdoot?

HET STAAT LEEG!!!

En ik doe ‘m gewoon in de aanbieding. Draai ik m’n hand niet voor om.

Ben jij een leuke dame van achter in de 30, begin 40? Ben je vrijgezel? Heb je flinke tetten? Zie je er goed uit? En ben je op zoek naar woonruimte? Koop dat ding dan gewoon!
Ik beloof elke avond even vriendelijk te zwaaien. En misschien ook nog wel met m’n handen.